De Geschiedenis

De Geschiedenis van de Brits Korthaar

 
GESCHIEDENIS VAN DE BRITS KORTHAAR

Voor een bepaald aspect zijn de meeste Brits korthaar-fokkers te verdelen in twee “kampen”; zij die gruwen bij het idee een Pers in hun lijnen in te kruisen en zij die dit (voor het verkrijgen en behouden van een nog steviger en gedrongen type) juist wel aandurven. Dan zijn er ook nog mensen die niet zo duidelijk stelling nemen en meestal met de mond belijden tegen het inkruisen van Perzen te zijn, maar wel graag naar die bolle kater met Perzische voorouders gaan. Voor wie de “Bolle” al wat langer leest, zal duidelijk zijn dat schrijfster dezes tot de tweede groep behoort en dus niet tegen een Pers als partner is. Om een helder inzicht in een en ander te verkrijgen en voor jezelf een duidelijk(er) standpunt in te nemen over wat nu en in de toekomst het beste is voor onze Brit, is het wellicht nuttig en überhaupt ook interessant om te kijken naar de geschiedenis van de Brits Korthaar. Hoe was hij oorspronkelijk; hoe heeft men hem verder ontwikkeld; hoe en wat willen de huidige fokkers; en hoe zien we de Brit in de toekomst. Natuurlijk hebben we de standaard als leidraad. En deze is al vele jaren hetzelfde. Maar vermoedelijk zijn we die toch door de jaren heen iets anders gaan interpreteren. Zo vond ik 20 jaar geleden bepaalde katten al heel mooi compact en bol; terwijl ik 10 jaar later, als ik weer hun foto zag, het type maar "gewoontjes" vond. Ook als je foto’s bekijkt van succesvolle Britten van 10, 15 en 20 jaar geleden, valt op dat ze vaak grotere oren, hoger op de kop hebben, wat langere neusruggen en smallere lange poten. En toch werden zij gekeurd volgens de standaard, die ook nu nog gehanteerd wordt. M.a.w., ondanks een standaard verandert en “verschuift” de smaak, en als gevolg daarvan ook het uiterlijk.

DE VROEGE GESCHIEDENIS
Laten we voor het gemak, ons overzicht van de Brits Korthaar-historie beginnen in Engeland. Toen in de tweede helft van de vorige eeuw het fokken en tentoonstellen van katten “in de mode” kwam, (bij hen die zich dit qua tijd en financiën konden veroorloven), richtten veel Engelse fokkers hun aandacht op inheemse katten, die zij aanvankelijk eenvoudig ‘SHORTHAIR’ noemden. Toen in 1889 in Engeland het eerste uitgebreide boek over katten werd gepubliceerd;
‘OUR CATS AND ALL ABOUT THEM’ -door HARRISON WEIR, was dit het belangrijkste ras. Ook op de eerste kattenshows, die vanaf 1871 in het Chrystal Palace in Londen werden georganiseerd door dezelfde Harrison Weir, was de Shorthair al snel met de toevoeging "British Type' ook het belangrijkste ras. Maar al heel snel werden de minder alledaagse langharige katten en later de exotische Siamezen populairder. Zoals we allemaal nog wel weten werden dezelfde inheemse katten op het vaste land, Europese Kortharen genoemd, totdat in 1982 de Fifé op voorstel van Scandinavische fokkers besloot om de behoorlijk bolle katten *)1 ook Brits Korthaar te noemen; en de vooral in Scandinavische landen gefokte, minder bolle exemplaren *)1 verder te laten gaan onder de oude “oude naam” Europees Korthaar.
Ter gelegenheid van het 10 jarig bestaan van de BRITS KORTHAAR bij de Fifé, schreef Antoon van Aken in 1992 voor Felikat Magazine, een artikel over de


*1) Oftewel respectievelijk katten met Perzische voorouders, en katten uit practisch pure korthaarlijnen.
begintijd van de BKH-fok, naar aanleiding van het uit 1903 stammende
‘THE BOOK OF THE CAT’ geschreven door de toen bekende fokster FRANCES SIMPSON.
Er worden in dit boek twee hoofdstukken gewijd aan de "British Shorthair", die zowel qua tekst als afbeeldingen een onthullend beeld geven van de begintijd van de Brit. Het eerste wat Antoon van Aken opvalt is de kwaliteit van de gefotografeerde Britten van rond 1900 in Engeland. Met name een zwart/witte en twee tabbies maken indruk op hem.
"Er zijn er die wat spitser ogen dan tegenwoordig, maar sommigen zouden op een show van nu uitgebracht kunnen worden".
In feite is het ras in bijna 100 jaar lang niet zo dramatisch veranderd als de Siamees en de Pers, die in dezelfde tijdspanne praktisch een complete gedaanteverwisseling ondergingen. In het boek licht Frances Simpson ook een tipje van de sluier op over hoe de Brit destijds gefokt werd. Vooral op het fokken van de blauwe wordt wat uitgebreider ingegaan. Rond 1870, ten tijde van de eerste kattenshows in Groot Brittanië waren er reeds twee blauwe korthaar variëteiten, t.w. British type en Foreign type of ook wel Blauwe Rus", welke laatste daadwerkelijk uit o.a. Rusland (m.n. Archangel) geïmporteerd werd, *2) of van deze geïmporteerde dieren afstamden. De verschillen tussen beide “rassen” waren veel minder groot dan tegenwoordig. De Blauwe Rus was in vergelijking met de Brit langer van lijf en leden, had een wat minder ronde kop, grotere hooggeplaatste oren en een kortere, lichter gekleurde vacht dan de Blauwe Brit. Maar ze waren veel steviger dan tegenwoordig; meer “Europeser”. Bij de inheemse British Shorthair kwam de kleur blauw niet zoveel voor. Daarom werden beide blauwe “rassen”, die per slot alle twee uit Europese landen stammen, al gauw met elkaar gekruist, waardoor de kleine verschillen vrijwel helemaal verdwenen. (Men vond de kleur blauw nl. aantrekkelijk en erg chic) Alleen aan de namen van de katten was nog af te leiden, wat hun fokkers beoogden. B.v. een kater met de naam Peter de Grote werd verondersteld een Rus te zijn.
Op kattenshows van voor 1912 was er maar één klasse voor blauwe korthaarkatten. Bij het keuren werd echter de standaard voor de British Shorthair gebruikt, waardoor dus de bollere katten wonnen van de slankere. Pas vanaf 1912 ging men er toe over twee klassen voor blauwe kortharen in het leven te roepen. Hierdoor zou er meer ruimte kunnen komen om duidelijker op de twee respectievelijk gewenste typen te selecteren. *3)Helaas echter voor onze geliefde Brit, was de belangstelling voor hem toen reeds tanende, ten gunste van de bewondering afdwingende langharige pers en de blauw-ogige, exotische Siamees, en ook het Blue-Foreign type, zoals Blauwe Rus officieel nog genoemd werd. (Hoewel eigenaren hem altijd al Rus noemden, werd die naam pas voor het eerst weer in 1939 op een officiële dekkaterlijst gebruikt.

VERRASSENDE CONCLUSIES
Antoon van Aken trekt twee opvallende conclusies uit het boek van Frances Simpson. De eerste conclusie is dat bij de fok van de BKH in die tijd geen Perzen werden gebruikt. Niet zo verwonderlijk trouwens, want qua type waren de langharen van toen eerder slechter dan beter. U heeft vast weleens oude foto’s van Perzen gezien, die dan zonder uitzondering er allemaal uitzien als Turks Angora’s zoals wij die nu kennen. Dus met een smalle kop, lange neus, en hoog geplaatste, betrekkelijk grote puntoren. Maar hoe verkregen de Engelse fokkers van het eerste uur dan wel hun Britten? Wel, ten tijde van die eerste shows, selecteerde men uit het aanwezige huiskattenbestand die exemplaren, die zowel qua bouw, als kleur het ideaal het meest benaderden. Door verdere selectie probeerde men dan de goede eigenschappen te behouden en te verbeteren. Met uitzondering dus van de blauwe, zoals we hebben gezien. Twee problemen die toen voorkwamen waren de slechte oogkleur en.... het “medaillonnetje”. (Waar heb ik dat laatst nu ook weer gehoord?). Het is trouwens niet zo verwonderlijk, dat de show- en fokbritten uit het toenmalige huiskattenbestand werden geselecteerd. Want uit een in 1932 gepubliceerde studie over katten in Europa, wees de Duitse professor Schwangart er al op, dat uit, vermening van de door de Romeinen uit Afrika meegenomen “gele” katten (Felis Libyca), en de oorspronkelijke wilde Europese Boskatten (Felis Silvestris), twee hoofdtypen huiskatten ontstonden. Respectievelijk, het wat slankere, langere type en het meer gedrongen, stevige type.
Zo zag ik eens, toen ik op een avond wat bij de tv zat te zappen, op Discovery Channel, een documentaire over de eerste wereldoorlog (1914-1918). Op een originele, oude zwartwit opname was te zien, hoe men toen katten(!) gebruikte, die boodschappen in een halsbandkokertje van de ene loopgraaf naar de andere zouden overbrengen. (Vraag mij niet waarom men geen postduiven gebruikte.) Op zich vond ik dit toch al schandalig, maar de kat, die je op het vlekkerige en een beetje wazige filmpje zag, was een Silver Tabby Blotched, van zo’n ontroerend mooi gedrongen bol type, zoals je deze variëteit zelfs heden nog maar weinig ziet. Ik kon die nacht de slaap dan ook maar moeilijk vatten.
Antoon van Aken’s tweede zeer verrassende en onverwachte conclusie is, (en wat nu komt zal voor velen van U, een soort heiligschennis zijn) dat juist de Blauwe Brit slechter van type was dan de andersgekleurde Britten. En uit de tekst valt ook duidelijk op te maken, zoals we gezien hebben, hoe dat kwam. Simpelweg gezegd, door zwarte- en de enkele gevonden blauwe “huis-Britten” te kruisen met (de voorloper van de) Blauwe Russen. Volgens Antoon van Aken bevestigen de in het oude boek afgedrukte foto’s die hij zag dit ook. Ze laten zonder uitzondering zien dat de blauwen minder gedrongen en juist spitser van kop zijn dan de andere variëteiten. Als huidige fokker van de blauwe Brit moet het U nu voorkomen, alsof de wereld op zijn kop staat. (Datzelfde gevoel had ik ook, toen ik het voor het eerst las.) Immers nu geldt de blauwe al vele jaren als de oorspronkelijke- en qua type meest perfecte Brit, de andere variëteiten tot voorbeeld dienend. En in deze tijd, die U dan wat ruim moet nemen, klopt dit ook. Want de rol van qua type en vacht meest ideale Brit, heeft de blauwe pas na de tweede wereldoorlog -terecht- verworven. En hoe dat kwam, gaan we straks bekijken, maar eerst moet nog even die andere bekende blauwe korthaar behandeld worden, om wie je in een historisch overzicht over de ontwikkeling tot de huidige Brit, niet heen kunt.

DE KARTHUIZER OF CHARTREUX
Voor het behandelen van de in nevelen gehuld lijkende geschiedenis van de Karthuizer, stappen we over naar het vaste land van Europa. Frankrijk is de bakermat van ook een blauwe korthaar kat van inheems type, die daar Chartreux wordt genoemd. En met die naam beginnen meteen al de ‘nevelen’ De Fransen beweren namelijk al jaren dat deze katten zo heten, omdat ze in ‘vervlogen eeuwen’ door Kartuizer monniken meegenomen waren uit Zuid-Afrika (Kaap de Goede Hoop wordt genoemd), naar Frankrijk, en in hun kloosters verder zijn gefokt en ontwikkeld. Geen enkel archief bevestigt echter deze veronderstelling. Misschien daarom werd ook wel beweerd dat deze katten zo genoemd werden, vanwege het feit dat hun blauwgrijze vachtkleur deed denken aan de kleur van de pij van deze zelfde monniken. Maar ook dit schijnt niet te kloppen. Als men dan ook nog komt met de bewering dat deze kat zijn naam zou ontlenen aan zijn gevulde uiterlijk, dat nogal doet denken aan de tonronde lekkerbekken onder de monniken, lijkt men wel erg krampachtige pogingen te doen deze kat in verband te brengen met de Kartuizer monniken. (De kat is met een ‘h’; de monniken zonder.)
Toch moet de blauwe inheemse korthaar al heel lang in Frankrijk zijn voorgekomen. Want al in 1558 wijdde de dichter Joachim du Bellay een gedicht aan zijn kat Belaud, die reeds kenmerken vertoonde van een Chartreux, want hij had een “zilverblauwe vacht, mooi en zeldzaam als satijn, golvend op de rug”. De bioloog Linneaus beschrijft de kat in 1755, in zijn ‘SYSTEMAE NATURAE’, en maakt onderscheid tussen hem en de andere huiskatten. Een jaar later (1756) wordt de naam Karthuizer genoemd in het werk van een andere bioloog, Buffon. In 1759 wordt de kat vermeld in het
‘ALGEMEEN WOORDENBOEK DER DIEREN’.
Vervolgens beschrijft het merendeel der natuurhistorici de Karthuizer als een apart ras; kortharig met een wollige vacht in een blauw- of leikleurige, maar altijd effen kleur. In 1930, tenslotte, beschreef de dierenarts Jumaud de precieze verschijningsvorm van het ras en gaf het zijn wetenschappelijke (jaja) naam: Felis catus cartusianorum. Dit alles lijkt in ieder geval wel aan te tonen dat de Fransen eerder en dus langer dan de Engelsen (ongeregistreerd weliswaar) inheems blauw x inheems blauw “fokten”, (lieten paren), en dan ontstaan er natuurlijk vanzelf ook meer en gaat de kleur daardoor een eigen leven leiden. Je kunt echter op je klompen aanvoelen dat zowel de Engelse als de Franse blauwe korthaar in oorsprong dezelfde soort katten zijn, nl. gewoon een kortharige inheemse (dus Europese) eumelanine kat met tweemaal het gen voor kleurverdunning (dd) *4) Toch blijft het intrigerend, dat iedereen (waaronder ook Linneaus met zijn passie voor systematiek) de naam Karthuizer, ook in zeer serieuze context blijft voeren. Zou het niet eenvoudig zo zijn geweest dat het bestaan van blauwe korthaar katten, in Frankrijk voor het eerst opviel in de streek rond Grenoble., waar het eerste Chartreuse klooster gevestigd was? Hoe het ook zij, de naam Karthuizer werd ook hier bij ons nog heel lang gebruikt in de Catfancy. De blauwe werd dan ook niet zoals de andere kleurvariëteiten aangeduid met ‘Europees Korthaar Blauw’, maar consequent met ‘Karthuizer’, Chartreux, of British Blue. En hoe het met deze laatste verder ging, gaan we volgende keer zien.

Wordt vervolgd.......

Bronnen:
Tien jaar Brits Korthaar-Felikat Magazine 1992-3 Antoon van Aken
Katten-M.Wright en S Walters Uitg. Het Spectrum 1980
The Complete Cat Encyclopedia Edited by Grace Pond 1972
Larousse Katten Encyclopedie vertaling J.P.Maas Uitg.Heideland-Orbis/Kosmos 1978

Met dank aan Lidia Kenter, Cattery de Santenoe


GESCHIEDENIS VAN DE BRITS KORTHAAR  DEEL 2

EVEN DE DRAAD WEER OPPAKKEN

Vorige keer heeft u kunnen lezen dat een van Antoon van Aken’s verrassende conclusies was, dat de British Shorthair in de begintijd niet gekruist werd met de Pers. Daar moeten we nog heel even op terug komen. Het feit dat deze conclusie voor ons, huidige BKH-fokkers verrassend is, komt omdat we er inmiddels van uitgaan dat de Brit een “bedachte kat is, ontstaan uit kruisingen tussen de Europees Korthaar/huiskat en de Pers”.
De Pers was in die tijd eerder slechter van type, dan beter. Maar dat was natuurlijk niet de belangrijkste reden. De ware reden is veel logischer en meer voor de hand liggend. Men wilde nu juist de robuuste, stevige, compacte korthaar kat van eigen bodem, profileren als een op zichzelf staand, zuiver ras. En dientengevolge was het helemaal niet aan de orde, om hem, voor typeverbetering, te mengen met wat voor ander ras dan ook. De kruisingen met de toenmalige Blauw Rus dienden dan ook alleen maar de kleur.

HARRISON WEIR.
De standaard die Harrison Weir reeds in 1871 had opgesteld, was dan ook niet zozeer een onhaalbaar ideaalbeeld, maar meer een beschrijving van het meest uitgesproken type dat toen reeds voorkwam. Uit de standaard valt af te lezen, dat het toen in principe om dezelfde dingen ging, als die we nu nog steeds zo waarderen in een Brit, nl. ”een rond hoofd; kleine, ver uit elkaar geplaatste oren; een stevig lichaam; een korte dichte vacht, en diep-oranje ogen”.
Harrison Weir beoogde met het organiseren van kattententoonstellingen de rehabilitatie en herwaardering van de huiskat, na “eeuwen van verwaarlozing, slechte behandeling en absolute wreedheid”.
Een citaat van hem: “...dat verschillenden rassen, kleur en tekening meer zorgzame aandacht mogen krijgen en dat de huiskat zich dan mag verheugen in het bezit van schoonheid en aantrekkelijkheid, voorheen onopgemerkt en onbekend bij de eigenaar. Ik hoop dat met deze tentoonstellingen de te vaak verguisde kat de aandacht en de vriendelijke behandeling zal krijgen waar ieder dier menselijkerwijs recht op heeft.”
In dit streven paste natuurlijk helemaal het onder de aandacht brengen en naar voren halen van de voor gewoon aangenomen Britse huiskat. Nog een citaat van Harrison Weir: “Een voorname kortharige kat is een van de perfectste dieren, ooit geschapen.” En zo is het maar net. Daar sluit ik mij volledig bij aan.
Aan de ene kant verdient Harrison Weir dan ook alle lof, vanwege zijn bewonderenswaardige streven om de kat tot een alom geliefd huisdier te maken, zonder dat het beestje zijn nut als b.v. muizenvanger hoefde te bewijzen. Aan de andere kant is hij zelf ook waarschijnlijk gewoon een (zij het zeer belangrijke) schakel in een proces, dat toen reeds in gang was gebracht op de “golfbeweging” van de tijd, nl. de (her)waardering van ons kleine, spinnende en kopjesgevende roofdier.

RAADSEL
Aan het eind van de 19e eeuw, toen de kattenfokkerij ingang had gevonden, waren de inheemse kortharen heer en meester op de shows. In haar boek, ‘THE BOOK OF THE CAT’ schrijft Frances Simpson, dat tot 1896 de British Shorthair de populairste raskat was op de tentoonstellingen. Daarna namen de langharen de overhand.
En op het moment dat zij haar boek schreef (in 1903), ging het al snel bergafwaarts met de belangstelling voor de Brit.
Steeds meer werden kattenshows gelegenheden om exotische, onbekende, bijzondere, en het liefst van verre gehaalde katten of hun nakomelingen ten toon te stellen.
Vanaf het eerste decennium van de 20e eeuw tot aan het eind van de 2e wereldoorlog is er dan ook weinig tot niets bekend over de Brit. Op de toenmalige shows was hij waarschijnlijk nog maar op de vingers van een hand te tellen, of soms zelfs helemaal afwezig.
Dit zal ook de situatie zijn geweest op het vaste land van Europa. Toen hier in de jaren dertig Felikat werd opgericht en tentoonstellingen ging organiseren, zag men er voornamelijk Perzen en Siamezen. De Europese Korthaar vond men meestal te alledaags en gewoontjes. Misschien zat ergens in een achteraf hoekje wel een enkele Tabby of een uit Frankrijk geïmporteerde Karthuizer. Als er onder de lezers (ex?)-Felikatleden zijn die hier nog documentatie over hebben, schrijf!

Ik wil u trouwens nog iets voorleggen:
Als ik het eerste deel van vorige keer zelf nog eens overzie, dan blijft er voor mij nog een brandende vraag over.
Omdat er weinig blauwe huisbritten waren en men die kleur nu juist zo prachtig vond, gebruikten de eerste fokkers van eind vorige eeuw tot en met het eerste decennium van deze eeuw, Blauwe Russen om een en ander te bewerkstelligen. De Blauwe Rus was toen wel slanker dan de toenmalige Brit, maar nog niet zo oosters als tegenwoordig. Daarom wil ik deze dwaling van de Engelsen voor deze keer nog door de vingers zien. Maar waarom, o waarom kwam niemand in Engeland, eind vorige eeuw op het idee om uit Frankrijk een Karthuizer te halen? Dit is voor mij nog steeds een raadsel.
Wellicht is er een heel simpele verklaring voor te geven.
Ik kan wel wat mogelijkheden bedenken, maar zeker weten doe ik het niet. Misschien was het in die tijd nog helemaal niet bekend, dat er in Frankrijk blauwe katten van het Europese type voorkwamen. Waarschijnlijk was het in Frankrijk zelf ook niet algemeen bekend. Er werd daar toen nog niets geregistreerd of georganiseerd op het gebied van de Catfancy. En in Engeland zelf was het in die tijd nog volledig een nationale gelegenheid, alleen al om het feit dat het toentertijd nog het enige land in Europa was waar zoiets georganiseerd werd. (vanaf 1871) De eerste Amerikaanse officiële show was trouwens in 1895 in New York in Madison Square Garden. De Blauwe Russen die men gebruikte, haalde men niet expres uit het buitenland om de blauwe Brit mee te fokken. Ze waren naar Engeland meegenomen vanwege hun eigen aantrekkelijkheid en exclusiviteit. En toen ze er dan eenmaal toch waren, heeft men van de ‘nood’ een deugd gemaakt om ze met Britten te kruisen, teneinde de kleur blauw te vermeerderen.
Men wist in die tijd nauwelijks iets af van Genetica. Voor ons is het dan ook vermakelijk dat men zich nogal verbaasde over het feit, dat zwarte poezen die gekruist werden met een blauwe kater soms alleen maar zwarte kittens doorgaven, terwijl andere ook blauwe kittens voortbrachten. Ook vond men het merkwaardig dat er zo weinig schildpad katers geboren werden.
Waarschijnlijk mogen we ook concluderen dat de Karthuizer zich niet bepaald veel ophield in de kustgebieden of havenplaatsen van Frankrijk. Anders waren Engelse zeelieden wel op ze gestuit in b.v. de haven van Marseille, of zo.
Een andere verklaring zou kunnen zijn dat men op een dwaalspoor is gebracht door het geschrijf van de heren Biologen (Er waren toen helaas nog geen dames, die zich daarmee bezig mochten houden), die er vanuit gingen dat de Karthuizer een apart ras was, zich onderscheidend van andere huiskatten. En zo sloeg men hem, ongezien, gewoon over. In ieder geval maak ik uit het artikel van Antoon van Aken op dat hij in het boek van Frances Simpson ook niets is tegengekomen, dat er op wijst dat de Engelsen toen al bekend waren met het bestaan van de Franse Chartreux.
Als iemand van u hier verder enig idee


NA DE 2E WERELDOORLOG
Om een of andere reden begon er in Engeland na de 2e Wereldoorlog, waarschijnlijk onder een klein groepje, hernieuwde belangstelling te ontstaan voor de inheemse kortharige fluweelvoeter. Werd het wellicht ingegeven door nationalistische gevoelens als gevolg van de 2e Wereldoorlog? Of wilde men misschien op de kattenshows, die inmiddels uitgeroeid waren tot grotere en bekendere evenementen, een zo compleet mogelijk beeld geven van alle mogelijke kattenrassen? Waarschijnlijk was het een combinatie van beiden.
Maar hoe en waar te beginnen? De onzekere tijd van de oorlog had de katten-fokkerij stil doen liggen. Van de Brits Korthaar, waar het laatste decennium voor de 2e W.O. zich bijna niemand meer mee bezig had gehouden, was dan ook maar nauwelijks nog een exemplaar over. Althans... geregistreerd en met afstammingspapieren. En hier zit ‘em nou de kneep. Want natuurlijk liepen er in de steden en dorpen, op boerenerven en weet ik veel waar, nog wel huisbritten rond, die het gewenste type hadden. En natuurlijk waren daar ook wel effen zwarte, witte, black-, red- en silver tabbies bij. Misschien wel wat minder dan voor de oorlog, maar Engeland was toch echt nog geen ‘katloos’ land; laat dat maar aan de katten dames en -heren zelf over! Maar blijkbaar was de hele gang van zaken in de zich steeds verder ontwikkelende Catfancy zo’n eigen leven gaan leiden, dat er een zeker snobisme was ontstaan. Een kat zonder stamboom was kennelijk toch niet helemaal een “Kat”. (Bovendien wilden men het liefst weer blauw.) En daarom kruiste men na de 2e W.O. de enkele overgebleven Brit met katten van het ‘Foreign Type’, zoals ook weer de Blauwe Rus. Dat hadden immers de fokkers van het eerste uur ook gedaan. Men ging op dat moment klaarblijkelijk voorbij aan het feit dat hun Brit verondersteld werd een inheems ras te zijn.
Inmiddels echter, waren katten van het Foreign Type, dus ook de Blauwe Rus, al naar een veel slanker type geselecteerd dan rond de eeuwwisseling. En zo verdween, en dat is niet verwonderlijk, de robuuste bouw van de stamboek-Brit.
Het zou verstandiger zijn geweest om katten van het juiste, gewenste type te zoeken in het gebied van herkomst, in dit geval dicht bij huis, om zo de genetische basis te verbreden. Ik heb trouwens toch het idee dat er in Engeland meer huiskatten van het stevige type aanwezig zijn dan elders in Europa. Dat komt wellicht, als ik de studie van professor Schwangart er nog eens bij mag halen, dat er in Engeland een grotere ‘dosis’ Felis Silvestris (wilde Europese Boskat) in het huiskatten bestand zit.
En waarschijnlijk is het zo dat juist in de kuststreken van het Europese vaste land het aandeel Felis Lybica( De door de Romeinen uit Afrika meegenomen Gele kat) groter is. Deze zou meer in de kustgebiedsen zijn blijven hangen, terwijl in het binnenland van Europa en op een eiland zoals Engeland (waar de Romeinen overigens ook zijn doorgedrongen) het aandeel van Felis Silvestris in verhouding groter is in het huiskattenbestand.
De fokkers van vlak na de 2e W.O. hadden om tot vermeerdering van de stevig gebouwde Brit te komen dus beter kunnen kiezen uit de huis- en boerderijkatten. Want dat hadden de ‘pionier’-fokkers van de laat 19e eeuw ook gedaan. Maar nee, dat was dus ‘not-done’ onder de fokkers van die tijd. En, even tussen u en mij, dat was misschien maar goed ook.
Want toen bedacht men iets wat voor de verdere ontwikkeling van de Brits Korthaar, achteraf bezien, het ei van Columbus is geweest. Weet u wat, ik wijd er een apart hoofdstuk aan:

HET INKRUISEN VAN DE PERS: DE RECENTE GESCHIEDENIS
Zo vlak na de 2e W.O. was ‘de Pers, al aardig op weg ‘een Pers’ te worden. Om te begrijpen wat ik hiermee bedoel, moeten we weer even terug in de tijd. (Eigenlijk had ik voor de veiligheid tot nu toe beter de naam ‘Langhaar’ kunnen gebruiken, maar ‘Pers’ is zo lekker kort en bovendien gaat het hier ook om de voorloper van de huidige Pers.) Het basistype kat van wilde afstamming is kortharig. Langharige katten zijn waarschijnlijk het resultaat van genetische mutatie. Langharen kwamen voor in bergachtige, noordelijke streken, waar in het strenge klimaat een dikke, lange vacht noodzaak was. De eerste langharige katten zijn naar Europa gehaald door reizigers vanuit Angora oftewel Ankara in Turkije. Hun kop was smal met een lange neus en grote oren. Vaak waren ze wit of ‘grauw-grijs’. Volgens Grace Pond waren er ook ’andere’
langharen met iets bredere koppen, kortere neuzen en kleinere oren. Zij zouden meer verder uit het oosten komen, uit Perzie, het huidige Iran. Zij kwamen in verschillende kleuren voor; meest gewaardeerd werd zwart en blauw. Anderen ontkennen echter dat er verschil in bouw was tussen langharen uit Turkije of Perzie. Maar Harrison Weir onderscheidde zelfs de Angora, de Pers, de Maine Coon en de Rus! Tegenwoordig "herondekt" onder de naam Siberische boskat. (Niet te verwarren met de korthaar.) En Hij vond het maar niks dat men deze katten onderling kruiste.
Hij beschreef wat hij zag als de juiste vorm van de kop bij langharen: ‘Kop: rond en breed met wijd-uiteenstaande ogen van middelmatige grootte; tamelijk korte neus; oren van normale afmeting, maar kleinlijkend door de lange haren eromheen.’
Blijkbaar waren de meeste langhaar liefhebbers het wat dit betreft met hem eens. Want op dit koptype is gaan selecteren, zodat de elegante slanke bouw van de Angora verdween, om pas weer in het Westen te verschijnen in de jaren vijftig toen hij opnieuw werd ingevoerd vanuit Turkije.
Toch denk ik dat er iets van waarheid schuilt in het bestaan van, zeg maar, twee typen bij de langhaar. Witte korthaarkatten kunnen ook soms zwakker of kwetsbaarder zijn dan de anderskleurigen. (Ik bedoel hier niet de expres gefokte katten). Het zou best eens kunnen dat de witte langharen, die dus meestal uit Turkije kwamen, ook wat lichter van botstructuur waren dan de ‘gekleurde’, die meer uit Perzie kwamen. Om op iets te kunnen selecteren moet het natuurlijk al wel in aanleg in zekere mate aanwezig zijn.
Vanaf begin 1900 won de langhaar in sneltreinvaart aan populariteit. (Ten koste van de Brit, zoals we hebben gezien.) Dit betekende dat men zich met hart en ziel ging toeleggen op het fokken en verbeteren van dit ras, dat dus steeds steviger en zwaarder van bouw werd. Wellicht inmiddels onnodig om te vertellen dat ook hier de kleur blauw zeer gewaardeerd en veel gevraagd was. Zo vlak na de oorlog was de Pers dan ook een pracht van een ‘Brits Langhaar’, als u begrijpt wat ik bedoel.
En zo kon het toen gebeuren dat er in de jaren vijftig Engelse Brits Korthaarfokkers waren, (Far-sighted breeders, zou Grace Pond ze later noemen), die de stoute schoenen aantrokken en hun blauwe poezen lieten dekken door uitgezochte blauwe Perzische katers, die toen als het best getypeerd beschouwd kon worden.
En wat zullen ze verrukt zijn geweest van het resultaat!

Wordt vervolgd....

Marianne Ates


Bronnen:
Tien jaar Brits Korthaar, Felikat Magazine 1992-3 Antoon van Aken
De opkomst van de kat, Roger Tabor 1993
The Complete Cat Encyclopedia edited by Grace Pond 1972
Over Katten, leeuwen en Tijgers.



GESCHIEDENIS VAN DE BRITS KORTHAAR  DEEL 3

In de jaren 50 waren dus de eerste raskruisingen met Perzen een feit. Inmiddels was er ook kennis van Genetica doorgedrongen bij (katten)fokkers. De wetenschap dat het korthaargen dominant is over het langhaargen, moet deze tot een experiment bereid zijnde fokkers, de moed hebben gegeven deze kruisingen door te zetten, ondanks dat er waarschijnlijk van andere fokkers wel weerstand zal zijn geweest. “Wie gaat er nou een langhaar gebruiken om een oorspronkelijk korthaarras te willen verbeteren.” Een soortgelijke reactie heb ik begin jaren 80 gehoord van een korthaar Shaded Silver fokster, die maar niet aan het idee wilde, dat juist die kleur logischerwijze toch bij de Pers vandaan moet halen.
Deze kritiek vooraf verstomde grotendeels toen men de resultaten mocht aanschouwen. En die “resultaten” mochten er wezen. Schattige bolronde gedrongen kittens blikten vriendelijk en monter de wereld in. Ze waren in alle opzichten een flinke verbetering ten opzichte van de oorspronkelijke British Blue ouder. Ze beantwoordden warempel meer aan de standaard dan de oorspronkelijke Brits Kortharen, op wiens uiterlijk deze geënt was. Ook voor de fokkers moet het een zeer aangename verrassing geweest zijn. De kittens waren nog mooier dan zij op grond van de bouw van de Perzische ouder hadden durven dromen. Dit was nu wat men eigenlijk altijd al had bedoeld en gewild. Ik zou er gewoon wel bij hebben willen zijn en hebben willen delen in de opwinding. In feite stond men hier nu (bijna letterlijk) aan de wieg van het nieuwe, verbeterde type van de Brits korthaar, wiens populariteit vanaf dat moment gestaag zou groeien, zowel nationaal als internationaal.
De meeste van de mensen die eerst geen fiducie hadden in de onderneming gingen nu toch overstag. Want vergeleken met deze “nieuwe” Britjes viel het ineens op, dat de oorspronkelijke Britse korthaar katten toch nog wel wat meer hoekig van bouw waren.
Deze F1-”bastaard” Britjes hadden van voren gezien een veel ronder kopje en van opzij was het snuitje veel korter, zodat ook het profiel ronder en boller oogde. Bovendien waren hun lijfjes korter en breder en stonden ze wat lager op de pootjes, wat ze vooral als kitten een zeer aantrekkelijk, koddig aanzien gaf. Kortom, ze benaderden al een behoorlijk eind het ons bekende en geliefde teddyberen-type.
Wel bleek het later zo te zijn, dat er uit onderlinge kruisingen van F1- en F2-Britten (dus beide partners hebben een Perzische ouder of grootouder) er soms weleens een beetje pluizige (korthaar)vachten ontstonden. En natuurlijk werden er ook zo nu en dan langhaartjes geboren, die dan werden uitgesloten voor de verdere fok van zowel langhaar als korthaar.
Hoewel het zwaartepunt nu helemaal op de fok van de kleur blauw kwam te liggen, (men vond dat nog steeds de meest sjeikste en “rasachtige” kleur), waagde Engelse fokkers van anderskleurige Britten zich nu ook aan een uitstapje naar een Pers.
Voor de verdere fok van de blauwe, werd ook gebruik gemaakt van de inmiddels bekende Karthuizer.
Waarschijnlijk ging echter na een aantal generaties korthaar x korthaar fokken, het type toch weer achteruit, zodat men dan nogmaals weer teruggreep op uitkruisen met een Pers of een eerstelijns nakomeling hiervan.
Grace Pond schrijft in 1972 hierover: “However, new breeders today seem reluctant to use a long-hair outcross. My own best results came from a mating with a short-haired Black that was long-hair bred. I also tried using a Chartreuse, imported from Belgium; this did not improve type, although it did produce better coat quality. We are left with the conclusion that the future development of the British Blue, and indeed of all British short-hair breeds, still lies in the occasional outcross to the longhairs to retain bone and type.”
“For what we are really looking, for in this breed is a blue cat with short, almost
pluche-like hair, but with near longhair type”.
Ik zal het even uit de losse pols vertalen, (per slot ben ik geen beëdigd vertaler): “In zekere mate schijnen nieuwe fokkers tegenwoordig een aversie te hebben tegen het inkruisen van een langhaar. Mijn eigen beste resultaten kwamen van een paring met een zwarte korthaar die uit een langhaar kruising kwam. Ik probeerde het ook met een Karthuizer, Geïmporteerd uit België; dit verbeterde niet het type, hoewel het wel een betere vachtkwaliteit gaf. We kunnen niet anders concluderen dan dat de toekomst van de blauwe Brit, en in feite van alle BKH-variëteiten, nog steeds ligt in het af en toe uitkruisen met de langhaar, om botten en type te behouden.”
“Wat we nu eigenlijk willen bij deze variëteit, is een blauwe kat met een korte, bijna pluche vacht, maar met een bijna langhaar type”. (Bedenk dat zij dit in 1972 schreef, toen er hier in Europa nog geen Exotic Shorthair te vinden was.)
Deze al eerder genoemde Grace Pond was gedurende lange tijd een zeer bekende fokster en internationaal keurmeester. (Ze heeft ook in Nederland o.a. Britten gekeurd, die toen hier overigens nog Europees Korthaar genoemd werden.)
Je kunt haar met recht de grijze eminentie van de Engelse Catfancy noemen. Ze had al Perzen sinds haar kindertijd, (en die ligt ver voor de tweede wereldoorlog), en was bijna 30 jaar fokster van dit ras. Ze heeft jarenlang de National Cat Club Show georganiseerd, die jaarlijks in Olympia, Londen werd gehouden. Als afgevaardigde van de GCCF en lid van diverse comité's, werd ze al in de jaren 60 en 70- uitgenodigd om te spreken over katten, op de Engelse radio en tv. Ik noem dit alles met name, niet om aan een persoonsverheerlijking te doen, maar omdat in het reeds eerder aangehaalde en alleszins uitstekende artikel “Tien jaar Brits Korthaar” van Antoon van Aken, hij zo in de ban lijkt van het feit dat er voor de tweede wereldoorlog geen langharen gebruikt werden bij de fok van de BKH, dat hij de wetenschap van het feit dat dit na de tweede wereldoorlog juist wel gebeurde, afdoet als “obligate verhaaltjes” dat de Brit in de tweede wereldoorlog bijna ten onderging en er vervolgens door de inzet van enkele Engelse fokkers en het inkruisen van Perzen weer bovenop werd geholpen”.
Uit de uitspraken van Grace Pond, iemand die dit uit eerste hand weet en zelf heeft meegemaakt, mogen we opmaken dat dit meer en belangrijker is geweest dan “obligate verhaaltjes”; ergo de basis is voor onze huidige BKH-fok.
Ook volgt hieruit dat de Perzenkruisingen niet alleen maar een eenmalig gebeuren is geweest, maar over een langere periode -tot in onze dagen- heeft plaatsgevonden en in beperkte mate nog steeds plaatsvindt, al was het nu alleen maar om nieuwe kleuren te introduceren.
Omdat een geschiedschrijving toch eigenlijk niet compleet is zonder feiten, namen en jaartallen, en ook omdat ik denk dat het voor serieuze BKH-fokkers best interessant is, volgt hier een overzicht van Engelse catteries, -fokkers en “beroemde” Britten van vooral na de tweede wereldoorlog tot aan de jaren 70, ongeveer. De meest kostelijke namen zullen de revue passeren.

ZWART
Al vanaf het begin van de Catfancy was men gefascineerd door de geheel zwarte vacht, zonder een enkel wit haartje en de hiermee contrasterende gouden oogkleur.
Eind 19e eeuw werd de oogkleur van Mr. Hughes’s Amber Queen beschouwd als het beste op dit gebied. Een andere fok van hem was BALLOCHMYLE BLACK BUMP en diens blauwe broer BALLOCHMYLE BROTHER BUMP, (leuke namen, he.) Later werd de zwarte vooral gebruikt voor het fokken van schildpad en Bi-colour. In de jaren 50 fokten Miss Hardman Ch.KILLINGHALL BLACK PANTHER en Mrs. Attwood, Ch. Aldra’s Dark Talisman, uit een Red Tabby vader. Het onderling paren van zwart x zwart en het infokken van Pers werd gedaan door Mrs. Johnson van de zeer bekende cattery JEZREEL. Deze naam komt ook veel voor op oudere Nederlandse stambomen, o.a. de bekende blauwe dekkater JEZREEL JASKAL

BLAUW/CREME
Een van de eerste van deze variëteit was MINGSWYK MYSTERIOUS MAID. gefokt door Mrs. Cattermole. (What’s in a name). Deze poes was geboren in 1951 en moest toen nog geshowd worden als BKH-Overige Variëteiten. Pas in 1956 werd deze variëteit door de GCCF erkend en dit werd vooral bereikt door de fokresultaten van Mrs. P.Huhges wiens Ch.BROUGHTON JANE (1955-1971) als stammoeder van vele Creme’s. Blauwe, en Blauw-creme’s beschouwd kan worden. Zij kwam uit de kruising Broughton Penelope, een blauwe Brit en de creme Perzische kater Danehurst Peter. Zij kwam in 1960 bij Mrs. Richards en daar werd zij de stammoeder van vele Creme, Blauw-creme, en Blauwe PENSYLVA nakomelingen. PENSYLVA GAY CAVALIER komt veel voor op de Nederlandse stambomen; (dus zo “gay” was hij nu ook weer niet.) Andere kampioenen waren Jezreels Jamina. Aldra’s Mayblossom. ALDRA’S PANSYFACE en ALDRA’S TWINKLETOES. (Let even op die laatste twee namen; kostelijk).

CREME
In de begintijd ging de interesse voor deze kleur geheel en al naar de langhaar. Pas laat in de twintiger jaren werd deze kleur in het korthaar erkend. Ze werden niet expres gefokt, maar kwamen nou eenmaal voor in nesten van schildpad moeders. Men wist niet goed wat men nou eigenlijk moest met deze “Vale” kleur. Pas na de tweede wereldoorlog is men gaan selecteren op een zo bleek mogelijk creme. Mrs. Cattermole van cattery MINGSWYK en Mrs. Johnson van cattery JEZREEL, hebben vlak na de tweede wereldoorlog deze lijnen opgezet. Later in de jaren 50 ging Mrs. Attwood van cattery ALDRA verder. De meest succesvolle BKH-kastraat aller tijden is een Creme; Pr.BAMBI’S MISCHIEF gefokt door Mrs. Hughes. (Hij ziet er op de foto uit 1972 dan ook al “modern” uit.) Hij woonde bij Mrs. Richards, die consequent de drie kleuren Blauw, Creme en Blauw/creme in één lijn fokte, (cattery PENSYLVA).
Hier komen weer wat ideeën voor kittenamen: PENSYLVA PINKERTON, Pensylva Prince d’Or, Pensylva Blond Bandit, allemaal kampioens katers, en Pensylva Pink Champagne en PENSYLVA FLAXON NYMPHE, (Jeminee!).

In Bolle 96-1 gaan we met andere kleuren verder.

Marianne Ates


GESCHIEDENIS VAN DE BRITS KORTHAAR  DEEL 4

Na alle kaarsen, kerstballen, vuurwerk, appelflappen en goede wensen, heb ik nog even iets met U te “verhapstukken”.
Vorige keer is de bronvermelding weggevallen. Dat moest zijn, net als deze keer: The Complete Cat Encyclopedia, edited by Grace Pond, 1972.
De keer daarvoor is de naam van de auteur niet vermeld van het boek: “Over Katten, Leeuwen en Tijgers”. Dit moet zijn: Grzimek.

Verder is er geen reactie binnen gekomen op de vraag, waarom de Engelsen rond de eeuwwisseling geen Franse Karthuizers in hun blauwe lijnen infokten, terwijl ze wel aandurfden hiervoor de slankere Blauwe Rus te gebruiken. Dit moet voorlopig dan maar een raadsel blijven.

Over tot de orde van de dag.
Omwille van het “historische gehalte” vervolgen we hier het overzicht van Engelse Catteries, fokkers en beroemde Britten. Hierbij hou ik de onlogische indeling van de oude GCCF een beetje aan, om het zo authentiek mogelijk te houden.

Waar “TABBY” staat moet U lezen “BLOTCHED” (gemarmerd). Dit patroon heeft per kleur een rasnummer. “SPOTTED” (gevlekt) daarentegen werd altijd voor alle kleuren samen beschreven. Ook het patroon “MACKEREL” (gestreept) heeft per kleur een rasnummer, terwijl het genetisch toch zeer verwant, ja praktisch identiek is, aan Spotted. Een vreemde situatie.

Verder houd ik hier ook de historische benamingen aan; dus BROWN TABBY i.p.v. BLACK TABBY; BI-COLOUR i.p.v. PARTI-COLOUR. Een aparte beschrijving van de Blauwe Brit zult U tevergeefs zoeken. Vele bij de andere kleuren genoemde Catteries fokten ook Blauw, b.v. ALDRAS, PENSYLVA, KILLINGHALL, JEZREEL, MANANA, BRYNBUBOO, SARAMAY, en WESTWAYS.
Na de Zwarte, Crème, en Blauw/Crème vervolgen we nu met de TABBIES. Ook hier zijn weer zeer tot de verbeelding sprekenden namen bij.
Ter leringh ende Vermaeck, zullen we maar zeggen.

BROWN TABBY
Hoewel veel voorkomend met het juiste patroon, blijkt het erg moeilijk te zijn om de gewenste warme kleur te fokken. De in 1892 geboren Ch.Xenophon was hierop een gunstige uitzondering. Ook de in 1908 geboren BALLOCHMYLE BROWN BUMP, (was er ook nog een Red Bump?), viel iedere keer in de prijzen, vanwege zijn mooie, warme kleur.
In de jaren 50 deden twee katten van Miss Stubb het goed: Ch.WHISTON TABITA TWITCHET (uit een Brown Tabby vader, Timothy Titus en een witte moeder, Gorgeous Gussie; schattig, he, die laatste naam) en haar halfbroer Ch.WHISTON TIBERIUS.

Miss en Mr. (zus en broer) Millburn van Cattery PERIOPAL fokten puur Brown Tabby x Brown Tabby: Ch.Periopal Bubbles, Ch. Periopal Silken Firefly en Periopal Easter Monday. Ook Ch. WESTWAYS ALICE, gefokt door Anette West, heeft voor ons een bekende Catterynaam; denk maar aan de hier ook bekenden Creme poes WESTWAYS ANNE OF CLEVES.
Maar mijn favoriete Catterynaam is natuurlijk BRYNBUBOO, een echte “Brittennaam” vind ik, met al die B’s, van Mrs. Absalom.
Mevrouw Polack importeerde in de jaren 70 de kater BRYNBUBOO DUTCH BOY naar Nederland.
Een kater met een prachtige warmer kleur. Helaas is zij niet zo lang hierna opgehouden met fokken. (Cattery Per Ha Neb Imenti).

SILVER TABBY
Deze kleur was al zeer populair ten tijde van de eerste kattenshows (1871). Er werden voor sommigen Korthaar Silver Tabbies prijzen betaald van £50,-, een kapitaal voor die tijd!
De enige overgebleven poes na de tweede wereldoorlog was HILLCROSS SILVER LADY, van zij werd op haar achtste gepaard aan een silver van onbekende (rasloze) afstamming, en dit werd de naoorlogse basis. Haar laatste zoon, wil ik u alleen al vanwege zijn naam, niet onthouden. Ch.HILLCROSS SILVER FLUTE (die Engelsen toch!)

In 1948 werd de poes Ch.Starlight of Silverleigh (van onbekende afstamming), gekruist met een silver Pers, Robert of Silverleigh, beiden van Miss Bracey. De die poesjes die hier uit voortkwamen werden gepaard aan SILVER FLUTE.
De al eerder genoemde Mrs Towe van cattery HILLCROSS, heeft een behoorlijke tijd gefokt.
Maar ja, wat wil je ook met een kater met zo’n naam. De eerstvolgenden keer dat ik nog een kater aanhoud, noem ik hem PLATINUM TROMBONE; moet u eens kijken hoelang ik dan doorfok! (O jee, ik word geloof ik een beetje melig na drie delen BKH- geschiedenis.)
Het bestand in Engeland werd verder versterkt door de Franse import kater BELLEVER CACHAS d’ACHEUX. De Franse Silver Tabbies stonden toen bekend om hun contrastrijke tekening. Zij zouden dit hebben verkregen door er elke 4e generatie een effen zwarte korthaar in te kruisen. Dit werd door de Engelsen opgevolgd met bevredigende resultaten. Uit deze combinaties ontstaan ook Smoke Britten, maar zij werden in die tijd, (begin jaren 70, nog net) niet erkend in BKH. Ik meen dat die erkenning in 1976 of 1978 kwam; jammer genoeg, zie je er maar weinig op shows.
Iets later kwamen daar de ook in Nederland bekende catteries CULVERDEN van Mrs. Robson, TAISHUN van Mrs Menezes en PERRINGTON bij. Deze namen komen veel voor op de wat oudere Nederlandse stambomen. PERRINGTON SILVER ACE was de vader van de geïmporteerde katers Ch.SILVER ROCKET en Ch.TAISHUN JEWGENY. (Deze laatste was een Silver Spotted.) De broer en zus, TAISHUN SILVER CLOUD en THAISHUN SILVER BELLE, geboren in 1973, kwamen bij, voor “De Bolle”-lezers bekende, Mevr.J.Wols. Ook de poes TAISHUN KIKO werd naar Nederland verkocht, maar ik weet niet aan wie. Als zij nog leeft, woont ze bij de familie Den Hollander van Cattery ARCADIA. Ook weet ik niet zeker of zij een Blotched of een Spotted Silver Tabby was. Overigens was de al eerder genoemde import kater Ch.SILVER ROCKET een fokonzuivere Agouti, want ook met verschillende Silver Tabby poezen, gaf hij Smoke nakomelingen.

RED TABBY
Hoerwel een Red Tabby van het juiste type en uitmuntende kleur een vlammend mooie kat is, heeft hij in de Catfancy helaas geleden onder zijn image van “Ginger Tom next door” (die rooie van hiernaast). In de tijd van rond de eeuwisseling worden er maar weinig genoemd, ofschoon men wel hoog opgeeft over zijn fijne karakter. Maar dan ineens in 1933, (een periode waarin überhaupt nog maar zeer weinig belangstelling is voor de Brits Korthaar), noemt Mrs. E.Soame de winnaars Ch.CLAYTON MASHER van Mr.Clough en Ch.RUFUS SUPERBUS, (van zo’n naam krijg je toch weer inspiratie), gefokt door Miss Bretherton, en wonende bij de reeds eerder genoemde Lady Alexander, die ook allerlei BALLOCHMYLE katten bezat.
Na de tweede wereldoorlog verschijnen Red Tabbies dan wel niet in zeer groten getale op de Engelse shows, maar degenen die er aanwezig zijn, zijn in iedergeval van een prachtige kwaliteit. Ik noem er een paar: Ch.STANTON RED ELF gefokt door Miss Wrightson in 1945. De RIVOLI katten van Miss Bridgford. Ch.VECTENSIAN ANACONDA en Ch.VECTENSIAN COPPER EYES gefokt door Mrs. Hoare (voorheen Miss Pat Tucker), klinken mij al wat bekender in de oren. COPPER EYES werd geboren in 1948 uit een onbekende vader en een Blauw/Creme Perzische moeder, Speedwell Dainty Bess. VECTENSIAN ROSALIND, een dochter van de poes COPPER EYES, werd gepaard aan DANNY BOY, een Blauwe Brit; hieruit komt de Red Tabby Ch.NIDDERDALE ROBIN, die op zijn beurt de vader werd van Ch.ALDRAS DARK TALISMAN, een zwarte Brit, die we al bij het hoofdstukje Zwart waren tegengekomen, (zie De Bolle 1995 nr.6.) En hiermee lijkt de cirkel rond te zijn, ware het niet dat DARK TALISMAN de vader werd van de Blauwe Brit Ch. JEZREEL JOMO, en deze was dan weer de pa van de bekende Blauwe Brit Gr.Ch.BRYNBUBOO LITTLE MONARCH. En zo blijkt maar weer dat Red Tabby zelfs toen al in Engeland niet zo op zichzelf stond als aanvankelijk in Nederland wel het geval was. Ook de Catteries KILLINGHALL van Miss Hardman en PEERLESS van Norman Winder hebben zich intensief met de Red Tabby-fok bezig gehouden. De PEERLESS katten dragen namen als: FIRECREST, FIRECRACKER, FIREFLY, FIREBRAND en FIREBIRD.
Vermeldenswaard zijn dan nog: KILLINGHALL RED SPARK, RED MORN, RED VIXEN en RED FOX, de vader van de vooral bij de Fifé bekende RHAPSODY’s FLOORTJE, van Hannie Jansen, Cattery Florah. KILLINGHALL RED JOY is een voorouder van DUNDRUM DEMETRIUS en dat is de vader van de bij de Onafhankelijken bekende Red Tabby kater FARODELL DAMIEN, geimporteerd door Thomas Rademaker van Cattery PIPINSKY.

SPOTTED
Al vanaf het eerste begin van de Catfancy werden er vele gevlekte korthaar katten geshowd. Maar aan het begin van de 20e eeuw schreef Frances Simpson in haar voor ons bekende THE BOOK OF THE CAT (1905), dat de Spotted toen nog maar zelden op een show te zien was.
Met de stijgende populariteit van de langhaar, vond men dit toen maar een “ordinaire” huiskat.
Pas in 1965 verscheen er weer een op een show; het was de poes CULVERDEN CLAIRE DE LUNE, een Silver Spotted, resultaat van een kruising tussen een zwarte Brit, MARCASITE CACHUCHA en een Silver Tabby Blotched, Ch.CULVERDEN MAURICE. CLAIRE DE LUNE bereikte meteen een B.I.S.
Ze werd gekoppeld aan een Blauwe Brit en een van hun nakomelingen was CULVERDEN CHARLOTTE een Brown Spotted. CLAIRE DE LUNE was ook de moeder van CULVERDEN STARDUST, een Silver Spotted poes, die door Mevr. J.Wols werd geimporteerd, Cattery DES LIONCEAU. Mrs. Robson van Cattery CULVERDEN vond dat je deze variëteit altijd het Britse type voorop moet stellen. Hoe mooi scherp de spotjes ook zijn van sommige Foreign Types; je moet niet in de verleiding komen die in te fokken bij de Brit. Ik denk dat wij het hier nu nog steeds allemaal wel mee eens zullen zijn.
Het zal U verder niet verwonderen dat de Catteries, die al genoemd zijn bij Brown-, Silver- en Red Tabby, zich uiteraard ook met de fok van Spotted bezig hielden.
Een kat wil ik U echter niet onthouden; PENSYLVA FILIGREE, een Lilac Spotted Brits Korthaar, en dat in en boek uit 1972!

WIT
(Oranje-blauwe en twee verschillend gekleurde ogen)
In het begin van deze eeuw werden er een paar witte kortharen geshowd door Lady Alexander. Het waren de witte katten: BALLOCHMYLE SNOW KING, BALLOCHMYLE BILLIE BLUE EYES, BIDDY BLUE EYES en, ja daar is er weer een, BALLOCHMYLE SNOW BUMP. Meestal waren witte Britten in die tijd van onbekende afstamming. Toch werd er in 1910 voor B.I.S. BLUE-EYED DON van Mrs. Westworth £25,- gevraagd, en zeer hoog bedrag voor die tijd. Gemiddeld koste een Brit tussen de £1,- en £2,- met uitzondering van de Silver Tabbies. Het was, naast de zuivere witte vachtkleur, vooral de blauwe oogkleur die men zo aantrekkelijk vond.
In 1898 werden er twee witte kortharen (type onbekend), geimporteerd uit Japan waar ze als een symbool van zuiverheid beschouwd werden.
Harrison Weir beschrijft de witte doodleuk als slanker en eleganter dan de anderskleurige Britten. Wellicht was dat ook wel de realiteit in die dagen, maar je moet binnen een ras toch voor de verschillende variëteiten naar uniformiteit streven wat de bouw betreft, lijkt mij.
Vanaf 1963 stijgt het aantal ingeschreven witte Britten in Engeland, geleidelijk verdeeld over oranje- en blauwe ogen, en enkele Odd-Eyes.
De Catteries HEARTSEAS (dat klinkt als een hartkwaal, maar is een viooltjessoort) van Lady Glubb (en dat klinkt ook lekker) en PINEWOOD van Mrs. Parker, fokten er een aantal in de zestiger jaren. WATERMILL LILYWHITE BOY van Miss Codrington en Ch.Dellswood Saint, gefokt door Mrs. Betts waren succesvolle dekkaters in die tijd.
Vermeldenswaard is dan nog dat in haar boek uit 1972, Grace Pond beweert, dat wit gepaard aan Zwart, Blauw, Rood of Creme, kan resulteren in Bi-Colour nakomelingen. Een misser van de eerste Orde! (Even de nieuwelingen onder de lezers; het gen voor de “effen kleur” wit is een geheel andere dan het gen voor witte vlekken, zoals bij Bi-Colours.)

SCHILDPAD
Hoewel algemeen voorkomend onder de korthaarpoezen, vond men deze kleur toch moeilijk te fokken. Kittens waren vaak of te donker, of juist te licht, volgens te toenmalige fokkers. Ook vond men het in die begintijd een probleem dat er zo
weinig katers geboren werden! Toch stonden er twee vermeld op de dekkaterlijst van 1900-1905 van de National Cat Club: BALLOCHMYLE SAMSON en KING SAUL. Waarschijnlijk hadden zij ook nakomelingen. Anders kwam je niet op de dekkaterlijst, dus of zij nu echte Schildpad Britten waren, zoals wij dat tegenwoordig bedoelen is niet helemaal zeker.
Na de tweede wereldoorlog waren o.a. Ch.NIDDERDALE SPRITE van Mrs. Budd en Ch.KILLINGHALL TORTELLA van Miss Hardman succesvol. Ook had je nog PEERLESS TORTILLA, VECTENSIAN DELIGHTFUL, VECTENSIAN TIA MARIA, JEZREEL DEBBIE en PATHFINDERS BROWNIE.

SCHILDPAD MET WIT
Heel lang geleden werden zij ook wel “Spaanse Katten” genoemd, omdat er in dat land er zo veel van zouden zijn.
Op de eerste kattenshows werden er een aantal geshowd door Lady Alexander. Zij droegen haar BALLOCHMYLE Catterynaam, maar waren van onbekende afstamming. (De ene keer kun je lezen dat die Cattery van Mr. R.Hughes is, de andere keer wordt hij aan Lady Alexander toegeschreven; misschien hadden zij iets samen?)
Opvallend was de kater die in 1912 op een Chrystal Palace Show verscheen, BALLOCHMYLE BACHELOR, een naam met een vooruitziende blik, want vader is hij nooit geworden. Het keurrapport ging voorbij aan het feit dat hij een kater was en roemt alleen zijn goede kleur en vlekverdeling. In 1914 won hij nog steeds.
In 1938 liet Mrs.Budd BITS AND PIECES registreren; een toevallige nakomeling van een Blauwe langhaar vader, THE ARISTOCAT en een Schildpad met witte moeder, LISELOTTE OF CORYTON. Ook in 1944 (!) werd een Schildpad met witte kater geregistreerd, CLOWN OF CARNE, gefokt door Mrs.Newton.
Op de eerste shows na de tweede wereldoorlog deed Ch.NOXA TEENA het goed gefokt door Mrs.Axon.
Vanaf de jaren zestig komen daar dan vele mooie, bolle exemplaren bij uit de PATHFINDERS Cattery van Miss Woodifield.
Zij had een duidelijk gepland fokprogramma waar regelmatig kruisingen met Perzen in voor kwamen. Haar katten zijn dan ook vaak van een uitmuntend type; hun tijd, bij wijze van spreken, vooruit.
Min of meer aan haar goede resultaten is het te danken dat ook de Bi-Colours door de GCCF werden erkend.

BI-COLOURS
Aanvankelijk waren zij op de allereerste shows wel aanwezig. Harrison Weir beschreef ze in alle mogelijke kleuren met wit. Dus ook Silver-, Brown-, en Red Tabby met wit. En niet alleen zwart met wit, maar ook wit met zwart, een soort Harlekijn dus. De Zwart met wit werd het meest bewonderd in die dagen, hoewel er nooit veel geshowd werden. Nadat er nieuwe kleuren, rassen en variëteiten verschenen, daalde het aantal drastisch.
Maar dankzij de inspanning van vooral Miss Woodfield van Cattery PATHFINDERS, werd deze variëteit in de jaren zestig door de GCCF erkend. Haar katten waren dan ook regelmatig bij de prijswinnaars. Ook PRIMLINGTON en TOBIOUS van de dames H. en J. Biswell deden het goed op shows.
In 1971 werd de standaard herzien door de GCCF.
Het onmogelijk bij katten genetisch vast te leggen patroon van het Hollander-Konijn werd niet langer geëist.
En iedere effen kleur met wit is toegestaan. Voor een precieze beschrijving verwijs ik naar de standaard voor Parti-Colour.

De “nieuwere” variëteiten CHOCOLATE en LILAC waren er nog nauwelijks; en SHADED SILVER, CHINCHILLA en COLOUR POINT nog helemaal niet.


Volgende keer gaan we situatie in Nederland bekijken.


Bronnen:
The Complete Cat Encyclopedia edited by Grace Pond, 1972
“Come on you Reds!” Alan Edwards, 7 januari 1994 in “CATS”
Met dank aan Thomas Rademaker (Cattery PIPINSKY)



DE GESCHIEDENIS VAN DE BRITS KORTHAAR DEEL 5

Inleiding

Het toeval wil, dat net nu ik in dit laatste deel de geschiedenis van de BKH in Nederland wil behandelen, in Felikat Magazin nr. 3 van dit jaar, een artikel is geplaatst van de onvolprezen Antoon van Aken over dit onderwerp. Dit zelfde artikel heeft een aantal jaren geleden ook reeds in de Kattekwats gestaan, en dit heb ik gebruikt als een van de bronnen voor dit slotdeel. (Welwillend ter beschikking gesteld door Thomas Rademaker, waarvoor dank.)
Lezers van de Bolle die ook lid/abonnee van Felikat zijn, zien bepaalde feiten dus tweemaal in een relatief korte tijd de revue passeren. Deze gegevens kunnen niet in dit globale totaal overzicht ontbreken.
Bovendien wordt een en ander aangevuld met informatie vanuit andere bronnen en komt ook de situatie bij de “Onafhankelijken”, in bescheiden mate, aan bod. Hiervoor put ik uit documentatie die ik heb gekregen van Lidia Kenter en Henny Bok en uit eigen materiaal en geheugen.
Voordat de Nederlandse situatie uit de doeken wordt gedaan moet ik nog even uitleggen dat het oorspronkelijke Korthaar ras van eigen bodem hier en ook in andere landen van het Europese vasteland, aanvankelijk “Europees Korthaar” werd genoemd.
Dat dit evenwel het zelfde ras is dat in Engeland met de naam “Brits Korthaar” werd aangeduid is u inmiddels al meer dan duidelijk, hoop ik.
Maar weet u wat, we gaan gewoon beginnen.

DE GESCHIEDENIS VAN DE BRITS KORTHAAR IN NEDERLAND;

deel A - De Fife

Als we in de Bolle nr. 0, 1990, Mimy Sluiter mogen geloven - en waarom zouden we dat niet doen; zij is m.i. een soort wandelende “ras katten database” - werden de eerste “geplande”, toen nog Europees Korthaar geheten, Nederlandse Britten, reeds in jaren ‘40 en ‘50 gefokt bij Felikat in de Haagse cattery “De Hofstad”. Zij deden dit - eigen bedenksel of misschien ingegeven door de enthousiaste verhalen vanuit Engeland - via het principe stevige huiskat maal Pers kruising.
Omdat de nakomelingen toch nog niet voldoende “rasachtig” en sjiek genoeg gevonden werden, waardoor weinig afzet mogelijkheden, heeft dit blijkbaar helaas niet veel navolging gekregen, want Antoon van Aken stelt dat het in de jaren ‘60 op de Fife-tentoonstellingen wemelde van de nieuwelingenklasse en rasnummers 26 (overige of niet erkende kortharen). Het betrof hier dan katten voor wie de rasnaam “Europees Korthaar” via een keuring “verdiend” moest worden, maar van wie geen enkele ouder of grootouder tot dit ras behoorde.
Het ging meestal om toevallige, onbedoelde raskruisingen, zoals b.v.: vader een zwarte Pers moeder een Havanna, vader een bruin gestreepte huiskat moeder een Siamees of vader een rode Pers moeder een Rex, enz.
Men vond blijkbaar de term “Europees Korthaar” een soort vergaarbak van het raskat gebeuren en men ging compleet voorbij aan de originele eigen schoonheid, achtergrond en de toen reeds bestaande van de GCCF overgenomen standaard van deze kat. De “fokkers” dachten blijkbaar dat de Europees Korthaar een soort gemiddelde was van alle andere rassen, welke niet aan een strikt omschreven uiterlijk hoefde te voldoen.
Antoon van Aken concludeert dan ook dat het ras, op het hele vaste land van Europa (misschien, met uitzondering van Frankrijk), nauwelijks serieus genomen werd.
En vergeleken met de voluptueuze Pers, de exotische Siamees, de aparte “gekke” Rex en de tot de verbeelding sprekende (toen bijna nog als half wild beschouwde) Abessijn, stonden de “Europeeërs” inderdaad nog dicht bij de alledaagse huiskat.
Gelukkig was er in die tijd ook al een kleine groep mensen die de Europees Korthaar wel serieus nam, maar hun situatie was niet zo gemakkelijk binnen het raskat gebeuren.
Er waren nog nauwelijks goed doorgefokte lijnen; men kruiste toen (jaren ‘60) niet met Perzen (Cattery de Hofstad is dus echt nog een uitzondering geweest) zodat het erg moeilijk was een goed bol en rond type vast te leggen; dekkaters werden snel gecastreerd en het was erg moeilijk om de kittens voor een bescheiden bedrag aan een goed tehuis te helpen. Ze leken immers nog teveel op huiskatten en die kreeg men in de regel gewoon gratis voor niks en van “asjeblieft neem er nou eentje”.
Een paar Cattery’s uit die pionierstijd waren: Cattery Papenburgh, die Red Tabby fokte, cattery ‘t Spieghel, Silver Tabby en cattery Marezate, Brown Tabby.
Een feit blijft dat de Europees Korthaar in die tijd dus niet echt van de grond kwam.

BLAUW

U weet nog wel vanuit de vorige delen, dat men in Engeland vooral de kleur blauw het meest aantrekkelijk vond. En hier raken we ook de kern wat betreft de impopulariteit van het ras in Nederland. Men had simpelweg de verkeerde kleuren gekozen!
In 1965 werd Wit het meest geshowd op Fife-tentoonstellingen, en in 1966 en 1967 Red Tabby, welke laatste kleur ook bij de Onafhankelijken de grootste klasse vormden. (Veertien en vijftien stuks waren geen uitzondering, zoals oude catalogi mij laten zien).
Maar na het zien van foto’s van Engelse Blauwe Britten en Franse Karthuizers, begreep men dat men met de kleuren wit, zwart, rood, “bruin gestreept” en schildpad geen duidelijk van de huiskat te onderscheiden, begeerlijke raskat kon maken.
Blauw, werd het credo.

Vanaf deze tijd is men de blauwe Europese Korthaar bijna altijd gaan aanduiden met de vanuit het Frans (Chartreux) vertaalde naam “Karthuizer”. Ook nog toen men steeds meer gebruik ging maken van de uit Engeland geïmporteerde “British Blue”, welke naam sommigen veel later wel eens bezigden, bleef de officiële tentoonstellings- en stamboomnaam nog lange tijd “Karthuizer”.
(En dan bedoelde men niet de pure ongemengde Chartreux).
Ik denk dat dit komt omdat men eerst flink heeft moeten strijden voor erkenning van de rasstatus van de EKH, dat men met dit blauwe “paradepaard” zijn afkomst, net als bij sommige andere raskatten, een historische en legendarische glans heeft willen meegeven. Wellicht vandaar de hardnekkige verhalen omtrent de betrokkenheid van de Kartuizer-monniken, mede gevoed door de toch wel als chauvinistisch bekendstaande Fransen. Trouwens uit een zeer gedegen artikel, wederom uit Felikat Magazin van L. Balt, “Geschiedenis van de huiskat in het Westen (8) (juli 1972) blijkt overigens dat de pij van de Kartuizer monniken altijd wit geweest is!

De eerste die deze kleur bewust ging fokken was mevrouw Verbeek-Engel uit Amsterdam. Zij had een blauw kortharig poesje, dat Aska Zeelandia heette (Een zomer in Zeeland?) dat zij bewust liet dekken door een blauwe Pers, hetgeen een gelukkige keuze mag worden genoemd.
Hieruit werd in 1968 het poesje Bera van de Eilanden geboren, dat beschouwd kan worden als de stammoeder van de Brits Korthaar in Nederland.
Bera werd verkocht aan mevrouw Vis-Hulshoff uit Hardinxveld die met dit poesje en haar Cattery “De Pleisterplaats” als de grondlegger van de Nederlandse BKH beschouwd mag worden.

Vanwege het ontbreken van dekkaters in Nederland en de strenge quarantaine bepalingen in Engeland, liet mevrouw Vis de poes Bera in het najaar van 1969 dekken in Frankrijk, door de Chartreux kater Puyleveque d’ Andeloya. Zijn vader was een Blauwe Rus, zijn moeder een Chartreux en één van zijn grootvaders een Blauwe Pers. Dus eigenlijk een beetje gelijkend, qua afstamming, op de reeds in deel I genoemde Praïlovsky’s Alexander van Lidia Kenter en ook weer niet zo gek als men weet dat er in de begintijd in Engeland toch wel wat verwarring bestond omtrent de veronderstelde overeenkomst tussen de Blauwe Rus en de eigen blauwe korthaar. Als tegenwicht is dan toch weer een blauwe Pers gebruikt.

Vergeet u overigens niet dat zowel bij de Fife als bij de Onafhankelijken de Karthuizer rasnummer 16 en de Blauwe Rus nr. 16a had, zodat het leek alsof de één als een soort onderafdeling van de ander beschouwd moest worden. Een reden temeer om de oude GCCF rasnummers over boord te gooien.
In ieder geval werd op 15 november 1969 het nestje geboren, waaruit mevrouw Vis het poesje Rosita van de Pleisterplaats aanhield om mee verder te fokken.
In dat zelfde jaar importeerde zij de zeer bekend geworden Engelse kater Pensylva Gay Cavalier. En toen kwam er schot in de zaak.
In Brussel in het jaar 1970 werd hij meteen Beste Kitten en dat gaf hem en gelijk het ras dat hij vertegenwoordigde, een echte serieuze rasstatus, ook bij de andere exposanten.
In januari 1971 dekte Gay Cavalier zowel moeder Bera als haar dochter Rosita en uit hun beider nestje hield mevrouw Vis een poesje aan, respectievelijk Helga en Josephine van de Pleisterplaats. Niet zo prettig vind ik dan het feit, dat Helga later in iets meer dan anderhalf jaar tijd, vier nestjes ter wereld bracht!
Onder haar nakomelingen zitten twee bij de Fife bekend geworden katers, die ieder voor zich aan de basis van bekende lijnen staan: Giovanni van de Pleisterplaats, vader van de zeer beroemde Int.Ch. Peter Pan Pompoen en Zanger van de Pleisterplaats, een imposante zwarte kater, die in 1974 in Stuttgart Best in Show werd, iets wat maar weinig Europees Kortharen in die tijd ten deel viel. In het Felikat Magazin van Juni 1969 doet mevrouw Verbeek-Engel, u weet nog wel van Cattery “de Eilanden” in haar zeer doorwrochte en interessante artikel “Karthuizer (Chartreux); Een van de oudste rassen van ons land” (De wens is de vader van de gedachten) `.... een warm pleidooi voor de blauwe “aristocraat” en roept zij andere fokkers op zich meer voor de Karthuizer te gaan interesseren. Zij besluit haar artikel met de hoop uit te spreken dat : “ ..... meerdere geïnteresseerden zich een dergelijke poes en/of kater aanschaffen, i.c. importeren.
In elk geval wordt misschien door dit artikeltje de aandacht van leden en lezers van Felikat wat meer gericht op deze fraaie kat die merkwaardigerwijs in ons land vrijwel onbekend is en vanwege zijn uiterlijk, karakter en afkomst een grotere populariteit, zozeer verdient. Hij is het waard!” einde citaat.
(Ik ben benieuwd wat zij van de huidige situatie zou vinden. Is dit waar van zij heeft gedroomd?)

En intussen was o.a. door het “pionierswerk” van mevrouw Vis de belangstelling voor de Europees Korthaar en dan m.n. de Karthuizer, snel aan het toenemen in de jaren ’70. Antoon van Aken, altijd in voor het bijhouden van de statistiek, toont aan dat het aantal ingeschreven EKH op shows in de jaren ’60 een bescheiden 1 à 2% beslaat, terwijl vanaf 1971 het percentage begon te stijgen tot ruim 8% in 1976.

Enkele andere fokkers en hun katten die hieraan hebben bijgedragen zijn: o.a. Markiezin (jawel) de Villers met cattery Sebastopol; Ria van Melis met haar zeer beroemde en gewilde kater La Grisella’s Aristoteles; mevrouw Aldershoff (nu; Schakenbosch) met cattery De Prinsenhof; familie Nagel met Eros du Place de Bruno; familie de Graaf van cattery Little Pink Panthers; Rory Carels met Blue Boy Boroy van ‘t Grashûs. Hij importeerde eind jaren ’70 de Engelse chinchilla poes Marcutt’s Ultra; familie Eleveld, cattery Coenderborgh; Diane Hehne met o.a. de beroemde door haar gefokte kater Cattepoel’s Frans - Jozef; de in België geboren kater Adonis des Trois Continents, wiens zeer getypeerde zwarte vader, Tapalque Black Velvet, uit een Perskruising kwam en de zeer succesvolle Ingrid en Antoon van Aken met hun vele “De Woeste Hoogte” - katten.
En dit is dan maar zo even een greep.

ANDERE KLEUREN

Toen men eenmaal aan de hand van de “Karthuizer” zag hoe mooi de Europees Korthaar kon zijn, begon men zich ook weer voor andere kleuren te interesseren. Vooral toch wel die kleuren die niet zo algemeen waren bij de huiskat.
Dus niet meer zoveel rood, schildpad en bruin gestreept (hoewel zij gelukkig niet helemaal van het toneel verdwenen), maar meer “sjiekere” kleuren als crème, silver tabby, wit en zwart.
Vanaf 1976 groeide de belangstelling voor crème explosief. Mevrouw Kuipers-Kossen importeerde in 1975 uit Engeland de crème poes Westways Daphne Winkworth en liet haar dekken door Peter Pan Pompoen. Hieruit werd de kater Parmenas van Diaspora geboren, die werd gekocht door Els Elmers. Zij importeerde ook uit Engeland de bekende poes Westways Anne of Cleves en uit deze combinatie werden verschillende mooie “Panda” katten geboren, zoals Panda’s Cream Carol en Panda’s Cream Sebastian. Later zetten zowel Marian Kuipers als Els Elmers d.m.v. Pers- kruisingen Lilac en Chocolate lijnen op.

De familie Ezendam fokte met Panda katten de succesvolle crème kater La Bambola’s Cream Garfield. Na 1985 werd de belangstelling voor deze toen nog moeilijk te fokken kleur tijdelijk wat minder.
De derde populaire kleur bij de Nederlandse Brit was het Silver Tabby. In de jaren ’60 reeds fokten de cattery’s La Grisella van Ria van Melis, Salomo’s Garden van mevrouw Luiken - Ekamp en Coenderborgh van mevrouw Eleveld deze kleur.
In de jaren ’70 werden er twee zonen van de Engelse kater Perrington Silver Ace naar Nederland verkocht. Ria van Melis importeerde Silver Rocket, een Silver Tabby Blotched kater, die bijna altijd aangeduid werd zonder zijn Engelse cattery-naam, Laxey. Hij had niet alleen Silver Tabby maar ook Smoke nakomelingen.
H. van Veen importeerde rond dezelfde tijd de Silver Spotted Taishun Jewgeny, wiens in 1977 door mevrouw Eleveld gefokte zoon, Coenderborgh’s Call Me Gattopardo zeer succesvol werd en door Lideke en Bart de Graaf gekocht werd.
Zijn bruin gemarmerde (Black Tabby Blotched zeggen we tegenwoordig) zoon Little Pink Panthers Joris werd praktisch even succesvol, hetgeen heel wat wil zeggen voor deze variëteit.
In de jaren ’80 was Ad de Bruijn van cattery de Broeckloni zeer succesvol met Silver Tabby.
Voor vervolmaking van kleur en tekening schakelde hij over op Amerikaanse lijnen en omdat hij vanwege het verschil in oogkleur niet zoveel opschoot met de Blauwe, gebruikte hij voor type verbetering Silver Tabby Perzen. Alles tot nog toe overziend kan je concluderen, dat er in Nederland zelf niet zo heel veel Pers-kruisingen zijn gedaan.
De verbetering van het ras naar een steeds ronder en boller type is hier tot stand gekomen omdat men steeds minder gebruik maakte van Franse Chartreux dekkaters en steeds meer van Engelse import Britten. En op deze manier werden toch Perzische lijnen in het Nederlandse BKH-bestand ingevoerd.
In ieder geval hebben al die fokkers er wel aan bijgedragen dat de eerst als “dakhaas” bestempelde EKH, vooral inmiddels onder zijn juiste naam “Brits Korthaar” enorm populair is geworden in Nederland.

Weet u b.v. dat hij al weer enige jaren de tweede plaats bezet na de Pers, wat betreft het aantal ingeschreven katten op shows, zowel bij de Fife als bij de Onafhankelijken.

In de tweede aflevering van dit deel ronden we de geschiedenis bij de Fife af, waarna we besluiten met de geschiedenis van de Brit bij de Onafhankelijken.


Marianne Ates

Bronnen:
* Een Stukje Geschiedenis - A.J. van Aken, Kattekwats 1987.
* Karthuizer (Chartreux), Een van de oudste rassen in ons land
C. Verbeek-Engel - Felikat Juni 1969.
* Geschiedenis van de huiskat in het westen (8) - L. Balt Felikat Augustus 1972
* Diverse oude Catalogi van Fife-tentoonstellingen en -Rasdagen.
* Met dank aan: Henny Bok, Elly Fakkeldy, Lidia Kenter en Thomas Rademaker.




GESCHIEDENIS VAN DE BRITS KORTHAAR - SLOT

Zeer geacht lezerspubliek, hier is dan eindelijk ten langeleste het beloofde laatste deel van de Geschiedenis van de BKH.
Vorige keer zijn we blijven steken aan het begin van de jaren ’80 bij de Fifé. Verder in de tijd zal ik niet gaan en wel om twee redenen. Ten eerste is het aantal Nederlandse BKH-fokkers vanaf die tijd al zo omvangrijk dat de geschiedschrijving van één en ander zal resulteren in een niet te ontwarren kluwen enerzijds en een saaie, schier eindeloze opsomming anderzijds. Ten tweede heeft het ook weinig zin dat ik of een ander persoon dit reeds in deze tijd zal doen, want u allen tezamen kent deze zeer recente geschiedenis beter dan wie dan ook, want u bent het zelf!
U allen “schrijft” momenteel deze geschiedenis. Pas weer veel later zal het mogelijk zijn om eventuele belangrijke hoofdlijnen uit deze (lees onze!) tijd op te kunnen tekenen.
Ditzelfde geldt ook wat betreft de voorafgaande delen. Deze bevatten natuurlijk ook voornamelijk de hoofdlijnen en dan vooral zoals ondergetekende deze uitgeselecteerd heeft, laat dat duidelijk zijn. Dus als ik iets of iemand niet heb genoemd, bij deze alvast excuses. Maar het is onmogelijk om een honderd procent compleet verhaal te leveren. Mijn bedoeling was en is, een zo duidelijk mogelijk globaal beeld schetsen. En daar ga ik nu met uw permissie weer mee verder.

DE GESCHIEDENIS VAN DE BRITS KORTHAAR IN NEDERLAND

Vorige keer (De Bolle nr. 4, 1996) zagen we dus dat bij de Fifé de populariteit van BKH na een aarzelend begin een zeer snelle vlucht heeft genomen.
Dat door sommigen aanvankelijk niet goed begrepen wordt wat een BKH eigenlijk is, hoe hij er uit moet zien, getuigt het stuk “De Karthuizer bedreigd?” door Mevr. C. Verbeek-Engel (Weet u nog van Cattery “van de Eilanden” de eerste die in Nederland bewust blauw fokte), in Felikat Magazine oktober 1972. Zij klaagt in dit artikel over het feit dat een volgens haar goede, aan de standaard beantwoorde Karthuizer door sommige keurmeesters “te zwaar” bevonden kan worden; “niet elegant genoeg”; “te plomp”, kortom te veel “een boer”, te weinig “edelman”. Als antwoord hierop legt zij dan nog eens het verschil tussen de Blauwe Brit en de Blauwe Rus uit.
Ook tipt zij in dit artikel uit 1972 nog eens aan, dat kruisingen tussen deze twee rassen in het verleden tot desastreuze gevolgen heeft geleid voor het type en het karakter van de Blauwe Brit.
Verder in het artikel verklaart ze dan nog dat ze begrip heeft voor het feit dat bij de beoordeling van een kat door de ene keurmeester een bepaald detail de doorslag zal geven, terwijl de ander weer een ander punt belangrijker vindt. Mits echter maar eerst en vooral aan de eisen van de standaard is voldaan!
Anders wordt het echter als begrippen gebruikt worden die in de standaard beslist niet gebezigd worden. Van “elegantie” is bij de Brit geen sprake. “Niet elegant maar imposant is hij!”
En zij besluit haar artikel met de punten waar men bij het fokken op moet letten:
Haar volgorde is: Het goede type, nl. de goede lichaamsbouw en kopvorm, de goede vachtstructuur. De kleurnuance van de ogen en van de vacht komen haar inziens dan op de tweede plaats.
Ik denk dat wij het daar in grote lijnen ook nog steeds mee eens zullen zijn. Haar ervaring bij het fokken is overigens dat juist de door haar gestelde prioriteit het moeilijkst te bereiken valt. (vooral nog in 1972) “Het goede type ook erfelijk vast te leggen is de grootste opgaaf bij dit ras, maar het is altijd weer een boeiende uitdaging voor de fokker”.
Tot zover mevrouw Verbeek-Engel in 1972.

Mijns inziens heeft haar artikel bij de Fifé in de daarop volgende jaren wel op begrip en navolging mogen rekenen, zowel bij keurmeesters als bij fokkers.
Bij de Onafhankelijken heb ik het gevoel dat een en ander, vooral bij sommige keurmeesters, onderhevig is aan een golfbeweging wat betreft de opvattingen omtrent de uiterlijke verschijningsvorm van een top Brit.


DEEL B - DE ONAFHANKELIJKEN

De eerste Onafhankelijke Verenigingen o.a. de NKFV, Neocat, de NVvK en Prokat zijn opgericht door afgescheiden ex-Felikat leden. Een soort dissidenten dus. Mensen die het om diverse redenen niet meer konden vinden bij een Fifé-Vereniging, toch door wilde gaan met hun liefhebberij en daarom een nieuwe kattenvereniging oprichtten.
Hoe dat nu allemaal historisch gezien heeft plaatsgevonden, de volgorde waarin, de redenen waarom, de eigen nieuwe doelstellingen etc., ga ik hier nu niet behandelen, dat voert te ver.
Mijn artikelenreeks behelst de geschiedenis van de BKH en niet de geschiedenis van de verenigingen. (Volgens mij weet bijv. een Tjerk Huisman daar trouwens ook veel meer van af).
Wel volgt hieruit dat menig “Onafhankelijk-lid” als oud
Felikat-lid, reeds enige Fifé-historie had meegemaakt, terwijl anderen als nieuw kersvers lid van een Onafhankelijke Vereniging, wat dat betreft nog een “onbeschreven blad” waren.

In een catalogus uit 1973 (de oudste die ik kon vinden) kom ik 37 “Europese Kortharen” tegen, waarvan 18 (ja, u leest het goed, achttien!) Red Tabbies en “maar” drie Karthuizers, waaronder de in het eerste deel van deze artikelenserie genoemde Praïlovsky’s Alexander.
De meeste van deze Red Tabbies zijn gefokt door Mevr. M. Koning-van Dam, catterynaam “Favorite”. In dezelfde catalogus staat ook nog een nest van haar vermeld, van maar liefst acht(!) kittens, in de kleuren Red Tabby en Cream Tabby. Aan de namen van de ouders te zien zijn haar Red Tabbies pure Europees Kortharen, waarschijnlijk uit het huiskattenbestand gekozen, waarna zij selectief verder fokte. Ik tel tot drie generaties; de derde generatie is dan gefokt door de heer Rijneveen, onder de namen Pim-Anko en zijn broertje Pom-Anko. De andere ingeschreven “Britten” hebben meestal onbekende ouders of ouders met de namen Brammetje en Vlekje, dus waarschijnlijk ook huiskatten die min of meer aan de standaard voldeden. Alleen bij de Blauwe en de Silver Tabbies komen we wat bekendere Stamboeknamen tegen.
Zo zien we bij de Silver Tabbies, Taishun Silver Cloud, Taishun Silver Belle (beide Blotched) en hun Spotted moeder Culverden Stardust van “onze” kittenbemiddelaarster mevrouw J. Wols. Allen vanuit Engeland geïmporteerd, zoals we in deel 4 hebben kunnen zien. Van een iets latere datum is de eveneens Engelse import poes Starbourne Solitaire, dochter van de bekende kater Perrington Silver Ace.
Bij de Blauwe (Ook bij de Onafhankelijken nog jaren officieel aangeduid als Karthuizer), komen we de poes Abigail van de Prinsenhof tegen, gefokt door mevrouw E. Aldershof (nu Schakenbosch) van Felikat, uit de bekende Engelse import kater Jezreel Jaskal en de poes Syriam’s Patricia.
Abigail is de moeder van Lilian van Ampon Garden (gefokt door mevrouw van Tuyl), de stammoeder van cattery de Santanoe van Lidia Kenter. En Abigail’s zoon Bubastis-Ra van Ampon Garden werd gekocht door mevrouw Voets-Jentjes van cattery de Mas de Charrou, die o.a. ook in bezit was van de Engelse import poes Manana the Mobster.
In deze oude catalogus (1973) kom ik geen EKH meer tegen die zijn “samengesteld” uit verschillende andere rassen, zoals in de jaren ’60 bij de Fifé.

Het lijkt erop of men hier nu inmiddels heeft begrepen dat de EKH geen gemiddelde is van allerlei andere rassen tezamen, maar een oorspronkelijk op zichzelf staand ras, waarvan weleens een redelijk exemplaar te vinden is onder de huiskatten.

Al snel zie je trouwens dan ook Perskruisingen verschijnen.
Bijv. Mathilde van d’Ekster, geboren in 1975, een Parti-Colour Blauw-Crème met wit, gefokt door mevr. de Kok-Embregts uit de Perzische kater Banjo van Hoog Moersbergen en de huispoes Vlekje. Mathilde werd de stammoeder van diverse zeer goed getypeerde Parti- Colours uit deze en later ook andere catteries. Mij persoonlijk viel vooral de aansprekende gezichtjes altijd op. Later (1976) heeft mevrouw Kok deze kruising nog eens herhaald, hetgeen resulteerde in de poes Henriëtte van d’Ekster van dezelfde kleur.
De familie Polack, die ook eigenaar was van de Red Tabby kater Grandeur Favorite van de eerder genoemde mevrouw Koning-van Dam, kochten begin 1976 de Red Tabby kater Eldoria’s Aswin, gefokt door Olga van Beek uit de Schildpad met wit huispoes Shira en de toen zeer bekende blauwe Perzische dekkater Amor an Dousti. Aswin was een prachtige imposante, uitmuntend getypeerde, diep rode grote kater, die op menige Onafhankelijke Tentoonstelling Best in Show werd.
De cattery van de Fam. Polack heette “Per Ha Neb Imenti”.
Later importeerden zij de Engelse Brown Tabby kater Brynbubboo Dutch Boy.
Bij de Silver Tabbies kom ik diverse malen de catterynaam van de Eiken tegen. Dat was een Perzen cattery (van Mw. Roerhorst), die vooral Silver Tabby en Chinchilla fokte.
Ik vermoed dan ook dat in hun kortharige Silver Tabbies wel wat Perzen-bloed zal hebben gevloeid. Jammer dat bij mijn weten, deze lijnen niet meer zijn terug te vinden als verre voorouders van huidige Silver Tabbies.
Ook mevrouw Doornbos van cattery The Sandy Hills doet in deze vroege periode reeds van zich spreken.
Zij fokte ook Perzen en zal voor de toenmalige EKH, kruisingen met dit ras wel aangedurfd hebben.
Ikzelf showde vanaf 1975 met mijn Soessa, een “warm” gekleurde Brown Tabby poes met een voor die tijd schattig rond kopje en kleine oortjes. Helaas was zij toen (oorspronkelijk aangeschaft als huiskat) reeds gesteriliseerd, zodat ik op fokgebied totaal niet meetelde. Pas in een catalogus uit 1979 kom ik dan een fokster tegen die ook nu nog actief is, en wel mevrouw W. Smets van cattery Locust Valley, in 1981 ingeschreven met een Engelse import blauwe kater Saramay Gay Cavalier, niet te verwarren met die andere, door de Fifé geïmporteerde Pensylva Gay Cavalier.
Ook in 1979 kom ik voor het eerst de naam tegen van mevrouw van Dijk-Blom, hier ingeschreven met de “Karthuizer” poes Cynthia van Cynsan Garden (een nakomeling uit de van Ampon Garden Cattery). Enige tijd later zou zij gedurende een behoorlijk lange tijd grote triomfen vieren met de door haar gefokte onverslaanbare crème kater, Beau van de Cornalijn.
Wat opvalt is het verschil in verhouding in die tijd tussen de ingeschreven kleuren bij de Fifé enerzijds en bij de Onafhankelijken anderzijds. In de jaren ’70 bijv. blijven de Onafhankelijken ver achter bij de Fifé wat betreft de kleur blauw.
Bijv. in het jaar 1976 tel ik op de Kat Expo in den Haag, georganiseerd door de NKFV, 32 ingeschreven EKH, waarvan maar 2 Blauw-Crème en toen toevallig geen enkele Blauwe!
Enkele maanden daarvoor op een show van Prokat in Hilversum vinden we 33 ingeschreven EKH, waarvan 7 Blauwe.
Op een grote Fifé show in de Rai in Amsterdam in datzelfde jaar, konden we 76 ingeschreven EKH bewonderen, waarvan maar liefst 38 met de toen nog zo sjieke blauwe bontjas aan!
Pas in de jaren ’80 gaat dit wat meer gelijk op.
Daar staat echter tegenover dat er bij de Onafhankelijken meer verschillende kleuren erkend werden. In het begin van de jaren ’70 reeds , kom je al incidenteel Smoke en Shaded Silver tegen. (Cattery van Walenburgh van mevrouw E. Heykoop en Cattery van Song-Hio van de heer J. Reule). Helaas blijken dit “doodlopende straatjes” te zijn.
Later, zo eind jaren ’70 komen de catteries Judifax van Yvonne en Hendrik Wallbrink en Potentilla van mevrouw P. Hester met deze kleur vanuit Felikat, bij de Onafhankelijken verder fokken.
Maar jammer genoeg leek deze laatste fokster blijkbaar weer het aloude, toen ook reeds achterhaalde standpunt te huldigen, dat de EKH een gemiddelde van allerlei andere rassen was en dan wat haar betreft, het liefst behalve de Pers.
Ook de Colour Point was reeds in een vroeg stadium bij de Onafhankelijken vertegenwoordigd, en dan bedoel ik zelfs nog voordat de beroemd geworden Yoeri Cabrioles de Santanoe het licht zag.
Zo eind jaren ’70, begin ’80 fokte een zekere Lideke van Dulmen-Brummelkamp (als ik het goed zeg, vanuit het blote hoofd) van cattery “van het Adderhorst” niet alleen effen chocolate en lilac maar ook af en toe een Colour Point. De Colour Point factor in haar lijn kwam helaas niet van een Pers, maar van een “ouderwets”, niet zo slank type Siamees. Dat dit helaas toch niet voldoende was om een bolle Brit te creëren is begrijpelijk. Hoe later vooral door Henny Bok (cattery Cabriole) deze kleur is opgezet, is ooit in een nummer van de Bolle uitgebreid uit de doeken gedaan. Bij de Fifé is deze kleur vorig jaar inmiddels ook erkend.
Hier wil ik het historisch overzicht van onze Brit eindigen, om de reeds aan het begin van dit deel genoemde redenen.
Ik weet dat ik vele namen niet of nauwelijks heb genoemd; maar alle namen noemen zou een welhaast onmogelijke opgave zijn geweest. U, of uw Brit, die ik niet genoemd heb, u bent er niet minder belangrijk om.
U alleen heeft, ieder op eigen wijze zijn of haar steentje bijgedragen aan de ontwikkeling en de groeiende populariteit van de huidige Brits Korthaar in Nederland.
Helemaal aan het begin van deze artikelenreeks ben ik begonnen met te verklaren, dat er onder de BKH-fokkers a.h.w. twee partijen zijn ontstaan. Te weten de voor- en tegenstanders van het inkruisen van de Pers. Nu deze hele historie op een rijtje is gezet, heeft u kunnen zien, dat dit reeds een voldongen feit is bij onze bolle “korthaar”. Het toeval wil dat nu ik aan het eind van het laatste deel gekomen ben, de discussie over de Brits Langhaar weer de kop opsteekt. Die discussie zullen wij, denk ik, moeten aangaan. Zoals ik ooit al eens geschreven heb, in de Bolle 1992 nr. 5, zullen Brits Langhaartjes nog steeds in onze nesten blijven opduiken.
En het lijkt me dan toch hypocriet om ze dan niet ook op de juiste manier te registreren. Overigens kun je showen met een ras of variëteit dat (nog) geen CAC-status heeft. Maar voor een beoordeling van een keurmeester is dan wel een (voorlopige) standaard nodig!
Ook daar zullen we vanuit een rasvereniging/stichting moeten aangeven wat en of we dat willen.

Wat betreft onze bekende bolle korthaar, hoe die zich verder zal ontwikkelen is aan u, of laat ik eigenlijk zeggen: aan ons.
Mij persoonlijk lijkt het dat we vooral zijn evenwichtige goedmoedige teddyberen uiterlijk en karakter en goede gezondheid zullen behouden.
In bepaalde details kunnen we misschien nog wel wat “verder” gaan. Bijv. stevige brede poten, kleinere oortjes, krachtig lijf met brede borst, een prachtige afstaande dikke vacht.
En natuurlijk per variëteit vervolmaking van kleur en aftekening enz..
Ik hoop persoonlijk dat we verdere “ontwikkeling” niet gaan zoeken in een extreem, onevenwichtig uiterlijk.

Dus geen naar voren geschoven onderkaak, geen te bolle ogen, of ogen die als een uitschuiftafel bijna naar de zijkant van de kop verhuisd zijn. Maar goed, dat is wat ik hoop. Hoe de toekomst van onze bolle knuffel er precies uit gaat zien weet nog niemand.
Het is aan ons om er in ieder geval iets heel goeds van te maken. De hoeft trouwens niet alleen maar “werken” te betekenen, want laten we vooral ook veel genieten van de schoonheid, prachtige uitstraling en evenwichtig karakter van onze aantrekkelijke Brits Korthaar.
Tot slot wil ik iedereen bedanken die aan deze artikelenserie (geweten en zelfs ongeweten) heeft meegewerkt, en niet op de laatste plaats ook dank aan de geïnteresseerde lezers, wier geduld danig op de proef is gesteld.

Voor wie alles nog eens achter elkaar wil doorlezen volgen hier de nummers van de Bolle waarin de voorgaande delen zijn verschenen: deel 1- 1995 nr. 4; deel 2 - 1995 nr. 5;
deel 3 - 1995 nr. 6; deel 4 - 1996 nr. 1; deel 5 - 1996 nr. 4.

Marianne Ates

Bronvermelding:
Diverse oude catalogi van Onafhankelijke Verenigingen
De Karthuizer bedreigd? C. Verbeek-Engel Felikat Magazine oktober 1972